search

Bloeddruk meten

Inleiding

Om een zo betrouwbaar mogelijke schatting van de bloeddruk te verkrijgen, zijn gestandaardiseerde condities van belang:

Het is niet nodig om tussen twee metingen 1 minuut te wachten. Bij een groot verschil tussen de eerste en de tweede meting is het verstandig door te meten totdat twee opeenvolgende metingen niet meer dan 5 mm Hg systolisch of diastolisch van elkaar verschillen. Het gemiddelde van de twee metingen die het dichtst bij elkaar liggen, wordt dan beschouwd als dé bloeddruk tijdens die controle. Bij het eerste bezoek wordt de bloeddruk aan beide armen gemeten om grote links-rechtsverschillen op het spoor te komen. Dit gebeurt bij voorkeur door een apparaat dat gelijktijdig beide armen kan meten. Dit heeft te maken met het genoemde volgorde-effect waarbij bij herhaalde metingen de tweede of derde meting vaak iets lager uitvalt dan de eerste. Als het verschil tussen beide armen kleiner is dan 10 mm Hg wordt gekozen voor de niet-dominante arm. Indien het verschil ≥ 10 mm Hg bedraagt, wordt de hoogste bloeddrukwaarde gebruikt. Bij patiënten op hoge leeftijd, met diabetes of met orthostatische klachten wordt aanbevolen om ook de bloeddruk te meten na 5 minuten liggend, na 1 en 3 minuten staan. Een verschil in systolische bloeddruk van meer dan 20 mm Hg wijst op orthostatische intolerantie. (Bron: Multidisciplinaire behandeling van hypertensie)

Voorwaarden voor een bloeddrukmeting in de spreekkamer:

bij een verschil van meer dan 10 mmHg, herhaalt u de meting tot 2 waardes minder van 10 mmHg verschil hebben;

Voorwaarden voor een bloeddrukmeting thuis:

Factoren die een bloeddruk verhogend effect hebben

Biologische factoren

Meetfouten